Naar de burgerlijke stand


De ochtend van hun huwelijk begon vroeg.
Veel te vroeg, vond Cilia.
Ze had nauwelijks geslapen.
Niet uit angst.
Maar uit opwinding.
Hun kleedkamer was veranderd in een kleine bruidssalon.
Make-up.
Parfum.
Sieraden.
Bloemen.
Twee paar elegante bruidsschoenen.
En natuurlijk hun jurken.
Ze hielpen elkaar met hun make-up, precies zoals ze dat honderden keren hadden gedaan.
Alleen voelde het vandaag anders.
Cilia maakte voorzichtig de ketting van Angeliqeu vast.
“Niet huilen.”
“Ik huil helemaal niet.”
“Je ogen zeggen iets anders.”
Angeliqeu keek via de spiegel naar haar.
“Wacht maar tot straks.”
Toen ze uiteindelijk klaar waren, stonden ze samen voor de spiegel.
Angeliqeu pakte haar hand.
“Herinner je je onze eerste keer samen voor een spiegel?”
“Ja.”
“Moet je ons nu eens zien.”
Cilia glimlachte.
“Volgens mij heeft die spiegel ons hele verhaal gezien.”
Even later reden ze naar het gemeentehuis.
Voor de ingang stonden familieleden en vrienden.
Toen Angeliqeu en Cilia uit de auto stapten, klonk applaus.
Cilia kneep in Angeliqeu’s hand.
“Zenuwachtig?”
“Enorm.”
“Ik ook.”
“Dan gaan we samen.”
Zoals altijd.
Hand in hand liepen ze naar binnen.